woensdag 22 augustus 2012

Free Pistolet Riot

















BELSELE - Gisterenavond vielen zes gemaskerde vrouwen binnen in Bakkerij Van Hecke in de Broodstraat. Ze sloegen de boel kort en klein en sloten de bakker en zijn vrouw op in de broodoven, waarna beiden leven verkoolden. De aanslag werd opgeeïst door de groepering Pistolet Riot, die, naar eigen zeggen, de aandacht wilde vestigen op de toenemende broodprijzen in Belsele.


De protestactie werd ingegeven door een recente gezamenlijke prijswijziging in de Broodstraat. Bakkerij Van Hecke en Bakkerij Van Hoecke beslisten, ongeveer gelijktijdig, de prijs van pistolets met 5 eurocent te verhogen. Ontoelaatbaar, vindt Anouschka van der Perre van Pistolet Riot: "Dat is de klanten bedriegen terwijl dat ze er bij staan!", zegt ze. "Ik zou natuurlijk ook gewoon naar Bakkerij Van Haecke kunnen gaan, maar das zeker drie straten verder: das toch al te zot!"

De actie leverde gemengde reacties op. Burgemeester van Samson veroordeelde alvast de daden van Pistolet Riot: "De middenstand heeft het al zwaar genoeg te verduren hier in Vlaanderen. En dan gaat ge bakkers vermoorden omdat hun pistolets zogezegd te duur zijn: da zijn toch geen manieren?" In samenspraak met de president van de Wase Bakkersgilde Vladimir van der Poetin, werd dan ook beslist de dames van Pistolet Riot een gemeentelijk pistoletverbod op te leggen: "Ze moeten maar Frans brood of sandwieten eten, das toch ook lekker?", aldus nog burgemeester van Samson.

Het vonnis stuitte onmiddellijk op heel wat internationale kritiek, vooral uit artistieke hoek. Zo betuigden Paul McCartney, Beyoncé en Gary Hagger al hun steun aan Pussy Riot. Dichter bij huis doken Natalia en Daan Stuyven de studio in voor een geëngageerd Pistolet-lied, dat intussen al tot nummer 37 is opgeklommen in de Ultratop. Op de vraag of de extreem gewelddadige methodes van Pistolet Riot niet overdreven zijn, was frontvrouw van der Perren categoriek: "Het gaat hier niet om iets onnozels als vrije meningsuiting of scheiding tussen Kerk en staat: het gaat hier om pistolets. En dat is een zaak van leven of dood."

zaterdag 18 augustus 2012

Timmy en de Bisschop

De christelijke kapoentjesstreken van een tienjarig jongetje en zijn favoriete bisschop!
door de Eerwaarde Monseigneur Gerbrand van Goegemeente, kardinaal van Belsele

DEEL 1: Timmy vindt verlossing


Timmy was een doodgewone jongen. Hij hield van voetbal en ravotten in de velden, en van zijn ouders. Hij ging niet zo graag naar school en durfde al eens te snoepen. Kortom, Timmy was een jongen zoals alle andere. Alleen...Timmy had een geheim. Timmy was diep, diep, diep ongelukkig.

Zijn ouders gaven hem mooie cadeaus en namen hem mee naar Disneyland, maar het hielp niet. Timmy bleef ongelukkig. Vriendjes maken lukte hem niet en op school was hij zo stil dat de leraars gewoon vergaten dat hij er was! Timmy's ouders zaten met de handen in het haar: hun zoon had alles wat zijn kleine hartje kon believen. Waarom was hij dan toch zo ongelukkig?
 

Elke avond stopte mama kleine Timmy in bed en elke avond waren er traantjes. "Mama, waarom ben ik zo ongelukkig?", huilde Timmy. "Ik weet het niet, liefje, ik weet het niet.", zei mama.

En dan, op een nacht, veranderde alles voor Timmy. Hij probeerde weer eens, tussen zijn tranen door, de slaap te vatten toen hij plots een geluid hoorde. Timmy schoot recht, als een pijl uit een boog. Daar was dat geluid opnieuw! Het leek van buiten te komen. Timmy was een beetje bang. En toen vloog pardoes het raam open en een figuur in een mooie, rode cape klom Timmy's slaapkamer binnen.

"Wees niet bang, kleine Timmy!"
, sprak de rood-gecapede man voor Timmy de kans had te gillen. "Ik ben hier om je te verlossen."

"Wie bent u, meneer? En hoe kent u mijn naam?", vroeg Timmy.

"Ik ben de Bisschop."
, sprak de man simpelweg. "En ik ken de namen van alle ongelukkige kindjes. Jij bent ongelukkig, he Timmy?"

"Ja, Bisschop.", zei Timmy. "Maar ik weet niet waarom."

"Ik weet het wel, Timmy, en ik kan je helpen.",
zei de Bisschop.

"Ja? Hoe dan?", vroeg Timmy hoopvol.


"Dat kan ik je niet vertellen.", zei de Bisschop.

Timmy keek heel sip.

"Maar ik kan het je wel tonen!", lachte de Bisschop plots. "Kom met me mee, Timmy en dan beleven we samen de gekste avonturen!"

"Jaaah! Hoera!", juichte Timmy, terwijl hij uit bed sprong.

"Maar eerst moet je me een ding beloven, Timmy.", zei de Bisschop op ernstige toon. 

"Wat dan, Bisschop?", zei Timmy.

"Dat je niemand ooit vertelt over onze avonturen. Je ouders niet, de vrederechter niet, de federale recherche niet. Het blijft ons kleine geheimpje, oke?", knipoogde de Bisschop.

"Ik beloof het!", zei Timmy.

De Bisschop glimlachte en nam Timmy's klamme, kleine handje vast.

"Timmy, na vanavond zal je leven nooit meer hetzelfde zijn.", sprak hij met plechtige stem.

Wordt vervolgd
 

Over de auteur
De Eerwaarde Monseigneur Gerbrand van Goegemeente (°1917) is de alom geliefde kardinaal van Belsele. Voorheen was hij actief in het bisdom Hamme-Zogge, waar hij gedwongen werd zijn ambt neer te leggen ten gevolge van een ongefundeerde heksenjacht zonder harde bewijzen. Van Goegemeente is tevens de auteur van de immens populaire "Timmy en de Bisschop"-kinderboekenserie. Hij citeert Jef Nys en Jezus Christus als zijn belangrijkste literaire invloeden.



vrijdag 17 augustus 2012

Poort der Duisternis


Een waarachtig verhaal uit de Overpoort


Ik weet niet waarom ze precies mij gekozen hebben voor deze dodemansmissie. Gewoon pech, denk ik. Op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. De feiten zijn duidelijk, zeiden ze. Vorige week donderdag besliste de 19-jarige Pol & Soc-student Timo 'Den Timo' Kurtz, tegen het expliciete verbod van zijn oversten in, de Overpoort af te dalen. Sindsdien is er van hem niets meer vernomen.

Wat verwachten ze nu eigenlijk van mij? Dat ik hem zomaar even terugbreng? Wie zegt dat hij nog leeft? En als hij nog leeft, in wat voor toestand is hij dan? Niemand spendeert een volle week in de Overpoort en komt er ongeschonden uit.


Ik heb de verhalen gehoord, over Timo. Dat hij er aan onderdoor gegaan is. Aan waanzin ten prooi gevallen. Ze zeggen dat hij zich verschanst in de Porter House, dat hij daar een troep inboorlingen rond zich verzameld heeft, als een soort heidense privé-militie, en er dagelijks mee op jacht gaat, op zoek naar een verse prooi. Onzin, zeggen mijn opdrachtgevers, maar wat weten zij? Zijn zij ooit afgedaald tot in het duistere hart van de Overpoort?

We steken het Sint-Pietersplein over, de onheilspellend uitgestrekte delta die uitmondt in de Overpoort. Er is geen weg terug nu. We passeren Julien, de onherroepelijke scheidingslijn tussen beschaving en wildernis. Het duurt niet lang voor we opgemerkt worden door enkele inboorlingen. Ze staren ons aan met hun holle, dode ogen en lossen enkele animale kreten, maar lijken ons verder met rust te laten.

Hoe dieper we afdalen, hoe hallucinanter het landschap wordt. Ik zie de waanzinnigste tafeleren: hogepriesters in ceremoniële gewaden leiden onbegrijpelijke, barbaarse rituelen. Elders gaan enkele wilden elkaar gillend te lijf, tot het bloed van hun gezichten druipt. Bevangen door heidense waanzin, proberen hordes jungle-bewoners elkaar af te troeven in luidkeelse baltsgezangen, een troep halfnaakte wijfjes kijkt geamuseerd toe
en zoekt het meest viriele examplaar uit voor een paringsdans.  Uit de onzichtbare onderbuik van de jungle wellen tribale drumgeluiden op, steeds luider, steeds sneller, steeds dreigender. Opeens weet ik hoe het voelt om je verstand te verliezen.

De helletocht duurt onverminderd voort. Ik ben allang vergeten waarom ik hier ben, mijn koorstige brein kan slechts een gedachte onthouden: laat het alsjeblief ophouden. Dan doemt plots uit de mistige walmen de Porter House op. Plots herinner ik me het doel van mijn missie. Is dit dan waar Timo zich schuilhoudt? Maar wat kan ik in godsnaam tegen hem zeggen? Kom terug, Timo? Er is geen weg terug van hier. Misschien moet ik gewoon niets zeggen en hem gewoon...nee, dat kan ik niet.

Ik schiet de Porter House in en baan me een weg door de dichte mist. Ik zie letterlijk geen hand voor ogen. Plots klinkt een onmenselijk schorre stem uit de verte.

"Ojo maat. Wa doe jij hier?"


Ik draai me om en zie Timo. Maar hij is Timo niet meer. Hij is...iets anders.


"Ey maat, haal mij keer 'n pintjen, lijk. Khe lijk geen geld meer en shit."


Timo ligt uiteengezakt op de grond. Ik herken hem nauwelijks. Hij is een wanstaltige kolos geworden. Het wezen dat ooit Timo was, gaapt me aan met glazige, onbegrijpende ogen en grijnst verdwaasd. Rondom hem ligt zijn privé-militie: een viertal zwaargebouwde wilden met dezelfde glazige, lege blikken.

"Timo, tis tijd da ge naar huis gaat. Uw ouders zijn vree ongerust en al."


"Neuj jong!"
, blaft Timo. "FIESTJEEUH!"

"FIESTJEEUH!", herhalen de wilden.

"Alle kom, Timo. Ge moet nog ne paper schrijven."

"Gij hebt het recht nie om mij ier weg te halen.", fluistert Timo. "Gij hebt nie gezien wadakik gezien heb. De horror... de horror... Maar ge moet ne maat maken van de horror. De horror is uwen maat. De horror heeft een bakkes. En 't lijkt vree hard op t' logo van Cara Pils, wer."

"Alle goe, ik heb het tenminste geprobeerd. Salut, he Timo."

"Jowkes."


Terwijl ik de Overpoort verlaat, kan ik het niet laten even over mijn schouder te kijken. Maar mijn zicht wordt belemmerd door zwarte wolken, en de straat naar het einde van de wereld, somber rustend onder de helse hemel, lijkt te verdwijnen in het hart van een ontzaglijke duisternis.

(Zeer vrij naar Joseph Conrad)